Het onderdeel Layers wordt gebruikt om de lagen van het geselecteerde schema te beheren en bestaat uit twee secties:
De toolbar bevat functies voor het aanmaken, verwijderen en rangschikken van lagen.
De lagenlijst toont alle lagen van het geselecteerde schema. Iedere laag wordt weergegeven met drie statuspictogrammen, gevolgd door de naam van de laag.
Klik op een statuspictogram om de bijbehorende instelling in of uit te schakelen.
Klik met de rechtermuisknop in de lagenlijst om het contextmenu te openen.
Het contextmenu bevat de volgende functies: